BDE Verhaal 5

Bijnadoodervaring van Stan Koek

Mijn bijnadoodervaring heb ik meegemaakt als baby van een half jaar oud. Ik wist toen zeker dat ik hoe dan ook zou sterven. Ik lag al vanaf mijn geboorte veel in het ziekenhuis; ze konden een afwijking bij mijn hart niet lokaliseren en ik had veelvuldig (midden)oorontsteking. Het ging erom dat ik geopereerd moest worden om tenminste zonder pijn te sterven.

Ik zit als het ware aan het begin van een lange tunnel. Aan het eind zie ik licht en besluit er naartoe te gaan. Het lijkt best lang te duren, maar ineens sta ik bij een poort van licht. Hij is open en ik kan zo naar binnen gaan. Nu baad ik in het licht.

Ik voel me leeftijdsloos en het lijkt een soort aards bestaan al ziet het er niet zo uit. Ik lijk meer op een soort marsmannetje. Alles is goud, ik zie gouden bomen. De enige kleurschakering is dezelfde kleur goud en lichtgeel. Het voelt mooi, ik voel me verbonden, mijn buik gloeit ervan. Ik heb een vol en heerlijk gevoel. Ik zie niet echt iets, er is alleen maar ZIJN. Het voelt vol, heel vol.

Ineens zie ik een oude man met een lange baard, in een wit gewaad en een ceintuur of touw om zijn middel. Hij wijst iets aan… ik moet langs hem heen kijken. Ik zie een pad, helemaal wit omzoomd met eveneens witte bomen. Ik loop op een lang pad van wit grind, langs water. Ik zie aan de andere kant van dat water een glazen gebouw, een paleis lijkt het wel.

Ik ga naar binnen, het is er mooi. Ik zie veel bloemen, het ziet er heel vol en rijk uit. Ik zie grote dikke boeken liggen. Ik begin ze door te bladeren, ik zie woorden als Wonderen, schoonheid, Werkelijkheid, magie, Wildheid. Ik lijk wel bij de letter w beland te zijn. Het boek is een soort encyclopedie, ik zie allerlei spreuken. Het lijkt een heel oud boek. De man met de witte baard wil dat ik het lees. Ik lees: “Maak schoonheid, maak waar, maak werkelijk wonderen, werkelijk waar”. Hij kijkt me heel blij aan, Hij vindt het fijn om het aan mij te laten zien.

Hij is een oude leraar met hele oude wijsheid. Hij is duizend jaar ouder dan ik. De man draagt een lang gewaad en heeft een lange baard. Dat is een soort oudheidssymbool. Ik draag een wit lang leerlingenkleed. Nu zie ik mooie vrouwen met lange haren en ook in witte kleding. Een van de vrouwen houdt me eens lekker vast, ik krijg het woord moeder door. Ik lijk ineens veel jonger, ze duwt me tussen haar borsten. Ik versmelt op zo´n mooie manier, intens en woordeloos. Ze spreidt haar armen uit en uit haar lange mouwen zie ik bloemen. Ik hoor prachtige (tingelende) muziek, wat de omgeving mooi maakt. Ze laat zien hoe alles binnen handbereik is, hoe je alles mooi kunt maken.

De muziek borrelt als water, ze voert een soort dans uit met haar armen. Het is een soort elixergevoel waarmee ze me willen voeden. Ik voel borrelend water waarmee ze me willen schoonspoelen. Puur borrelt er door mij heen. Opeens zie ik een wit trappetje, wat ik betreed. Deze brengt mij in een lichtgroene lenteachtig frisse tuin. Ik zie spelende kinderen, hand in hand dansend om een boom.

Ineens zie ik van bovenaf hele grote dikke bomen, alsof ik een dal kijk. Ik ben nu in de lucht en zie vanaf grote hoogte mensen alsof ik een arend ben. Ik zit op een rotspunt, een adelaarsnest. Dat voelt heel mooi, ruim en rijk. Het is net of ik mijn vleugels uitsla en inderdaad dat doe ik. Ik vlieg over wijde weilanden, alles is groen, een heel groen dal. De mensen zingen en dansen, alsof ze een ritueel uitvoeren. In blijheid zingen ze de natuur toe, hand in hand… Ik ervaar weer een gevoel van weidsheid, ruimte. Vrijheid als een wolk om mij heen, terwijl ik door het dal zweef.

Ik vlieg over water, het is een meer of de zee. Ik zie een heel blauw licht met de zon in de verte. Het is een groot water, eindeloos groot. Ik scheer over het water en zie dolfijnen. Nu lijk ik geen adelaar meer, maar iemand die er door gedragen wordt. Was ik dat net ook al? In een gevoel van één zijn? In ieder geval sleurt de adelaar mij door het water, zodat ik onder water ben. Ik zie groene planten, zeewier (dus toch de zee) en dolfijnen. Ik hoor een mooi geluid van kletterend water. Ik zie een horizon, ik ervaar ruimte. Ineens zie ik steentjes op mijn buik, die als een maliënkolder/harnas van me afvalt.

Ik plons in het water en zak heel diep. Dolfijnen maken een cirkelgang om de koker van luchtbelletjes die ik maak. Er is het schijnsel van een mooi sprankelend licht en ik hoor engelachtige muziek. De dolfijnen willen wat zeggen: wildheid, lekker gek doen. Alsof ik zelf een staart heb zwem ik mee als een paling of dolfijn… dat is niet helemaal duidelijk. Ik voel wel het kronkelen en schudden van mijn lichaam. We zwemmen op een kist af, vol met blinkende voorwerpen. Het lijkt wel een schatkist, in een heel mooi decor. Ik steek er mijn armen tot aan de ellebogen in. Het is een eindeloze hoeveelheid gouden kelken, snoeren van kralen, bollen appels, alles van goud of goudkleurig. Ik duik erin waarmee ik mezelf verguld als een gouden kindje. Op mijn lichaam zit een soort gouden verf geplakt.

Ik ben heel oud; 30.000 tot 300.000 jaar oud. Van goud als een spiegelei. Maar in mijn lichaam lijk ik steeds jonger, een blijde gup. Ik ga koppeltje duiken met de dolfijnen en we voeren een soort circusact uit. Met hun snuiten in mijn handpalmen duwen ze mij naar boven. Ik hoor geluiden, dat werkt verkwikkend. Via gevoel hebben we contact, er komen geen woorden aan te pas. De dolfijnen prikken nu in mijn staartbeentje, alsof ik weer een staart heb. Ik voel het door mijn ruggengraat omhoog gaan. “Wij zijn allemaal één”. Zij willen mijn goedheid belonen, als gelijkgestemden.

Nu ben ik aan de oppervlakte, ik drijf op het water. Ik zie een wit strand, rotswanden met huisjes erop. Ik loop of lig op het strand, er is ook een palmboom. Ik voel een onwijs en intens geluk. Zo een groots gevoel kan mijn lichaam niet bevatten. Ik voel mij als een Michelin mannetje, gezwollen van zoveel geluk. Ik voel een hele aura als een lichaam, een energiebol. Mijn fysieke lichaam is vlees, als een kroket eromheen. Dit is een lekker gevoel, het voelt als een kaarswalm.

Ik zie dikke groene struiken, een soort labyrint, ik ga er gedematerialiseerd doorheen. Er is veel groen, maar ik kan er zo doorheen. Door alle heggen heen naar iets blauws. Het lijkt op een top van iets, een kegel, een kroon, een boei, een bergje? Het draait als een tol en ik zit er omheen geklemd als om het bovenste deel van een skippybal. Omhoog springend naar een eiland.

Het is net alsof ik de opdracht begrijp: “Ik ben alleen, maar zo vol rijkdom wat ik mag koesteren. Onuitputtelijke innerlijke rijkdom om van te genieten met vrienden, de mensen. Ik heb er wel iets mee te doen, een opdracht te vervullen”.

Beschouwing achteraf: ik kan meer dragen dan ik denk en met zoveel licht kan ik negativiteit verblinden. Ik ben een toorts van licht, puurheid en goedheid.

Mijn ervaring is echt van mij en ik kan er mij zonodig elke week mee voeden. De geluiden van water en de dolfijnen hoor ik elk moment dat ik dat wil en het verkwikt me steeds weer.