Inhoud van een BDE

Mensen die een bijnadoodervaring krijgen kunnen onder andere de volgende ervaringen opdoen: Zij kunnen uit het lichaam treden en zien alles wat er om hen heen gebeurt. Zij horen wat er gezegd wordt door mensen en zien dikwijls hun eigen lichaam liggen, wat ze zonder emotie aanschouwen.

Zij kunnen door een tunnel of spiraalvormig element gaan wat soms wel en soms niet als prettig ervaren wordt. In deze fase zien zij op een gegeven moment een lichtpunt waar zij zich op richten en komen dan in de lichtwereld terecht. Sommige ervaarders komen rechtstreeks in de lichtwereld zonder een tunnelervaring voorafgaand. Daar aangekomen kunnen zij verschillende voorstellingen aanschouwen: een paradijselijke omgeving, een prachtig landschap met groen glooiende heuvels beplant met prachtige bomen, planten en bloemen die heel mooi van kleur zijn en in de aardse wereld nooit te zien zijn. Deze voorstellingen worden soms aangevuld met prachtige kleuren en wonderschone muziek.

In deze wereld kunnen lichtfiguren zich aan de ervaarder presenteren en deze figuren worden (terug in het aardse leven) door het individu verschillend geïnterpreteerd, zoals bijvoorbeeld engelen, Jezus, Christus, God, Lichtbron, het al, de Schepper, boeddha et cetera. De namen die aan de figuren wordt gegeven is afhankelijk van de cultuur waaruit men afkomstig is en welk geloof de ervaarder aanhangt.

Met deze lichtwezens wordt veelal gesproken of lichamelijk contact gemaakt en er vindt een onuitsprekelijke ervaring van ‘liefdesoverdracht’ plaats. Ook vindt er soms een levensoverzicht plaats in het bijzijn van een liefdevol lichtwezen, die zonder oordeel over jou, je laat zien hoe je je leven tot nu toe hebt ervaren. Je wordt geconfronteerd met de voor jou goede en minder goede manieren in het leven en tijdens het overzicht ervaart de persoon de gevoelens (pijn én vreugde) van de medemens (alsof hij die persoon zelf is!) waarmee hij of zij (gedurende zijn leven!) in contact heeft gestaan. Dit kan heel confronterend zijn voor de ervaarder, omdat de ervaarder zélf gaat ervaren wat de vreugde en pijn was die hij of zij heeft gegeven in het leven.

Ook wordt er vaak aan de ervaarder gevraagd of hij of zij geleerd heeft om lief te hebben. Door de bijnadoodervaring heeft de ervaarder inzicht gekregen hoe hij of zij kan proberen om de (tot dan toe) verkeerde dingen in zijn of haar leven een goede wending te geven.

Verder zien ervaarder gedurende hun beleving soms een grens (sloot, poort, deur, lijn, et cetera) en ze weten dat als ze daar doorheen of overheen gaan dat er dan geen weg meer terug is. Er worden soms ook hele steden van kristal waargenomen, gebouwen met juwelen bekleed en soms wordt er ook inzicht gegeven in hoe het heelal werkt met alle verbanden, een zogenaamd kosmisch inzicht.

Ook ontmoeten ervaarders vaak overleden familieleden, kennissen en andere dierbaren en men kan met hen praten. Dit kan een hele troostrijke ervaring zijn voor de ervaarder. Deze mensen geven ook aan de ervaarder te kennen dat het zijn of haar tijd nog niet is en dat hij terug moet gaan. Jammer genoeg wordt de reden hiervoor niet altijd genoemd, ofschoon in sommige gevallen wel.

Ook zien ervaarders soms mensen waarvan ze ‘het bestaan niet wisten’. Voorbeelden:

– de biologische vader van de ervaarder, waarover de moeder nooit heeft verteld.

– de oom die veertig jaar geleden geëmigreerd was en waarmee de contacten waren verbroken; bij navraag van de ervaarder kreeg hij toen te horen kreeg dat deze oom reeds was overleden.

– een kind dat na de bijnadoodervaring vertelt dat hij een broertje of zusje had ontmoet. De ouders hebben het kind dit uit pedagogische overwegingen of uit verdriet van het overlijden (nog) niet verteld.